Maak de begroting future proof
Veranderende omstandigheden vragen aanpassingen op alle niveaus. Mensen, ondernemingen en instellingen moeten flexibel, dynamisch en wendbaar zijn. Wat daarbij vaak over het hoofd wordt gezien, is dat hetzelfde geldt voor de begroting. Ook de ontvangsten- en uitgavenstructuren moeten aangepast worden aan economische en demografische realiteiten.
De samenleving vergrijst, de arbeidsmarkt verandert en economische groei komt steeds minder uit bijkomende tewerkstelling. Als de fundamenten van de inkomsten en uitgaven veranderen, moet ook het begrotingsbeleid mee veranderen.
Waarom de ontvangsten uit de belasting op arbeid verder onder druk komen
In het publieke debat worden verschillende verklaringen gegeven voor de daling van de ontvangsten uit heffingen op arbeid in termen van het bbp: flexi-jobs, managementvennootschappen, fiscale optimalisatie en andere evoluties. Die elementen spelen mogelijk een rol, maar ze verklaren niet alles. Een structurele factor wordt wellicht onderschat: de demografische evolutie.
De personenbelasting en de sociale bijdragen zijn sterk afhankelijk van het arbeidsinkomen. Net daar wringt het schoentje. De babyboomgeneratie bevond zich jarenlang op het hoogtepunt van haar loopbaan, met relatief hoge inkomens en dus ook hoge bijdragen aan de personenbelasting. Naarmate deze generatie met pensioen gaat, verschuift dat beeld. In Figuur 1 zien we een sterk kantelpunt rond de pensioengerechtigde leeftijd, waarna de inkomens en de betaalde personenbelasting sterk terugvallen.



Figuur 1: Gemiddeld netto belastbaar inkomen per leeftijdscategorie
Bron: eigen berekeningen op basis van cijfers Statbel
Het opschuiven van de jongere generaties op de leeftijdsladder compenseert dit onvolledig, aangezien ze met minder zijn. Daardoor ontstaat een structurele druk op de belangrijkste inkomstenbronnen van de overheid.
Daar komt nog bij dat de economische groei door de vergrijzing minder arbeidsintensief wordt. De groei van het bbp zal in toenemende mate moeten komen van productiviteitsgroei, en minder van de groei van het aantal werkenden. Dat is op zich geen probleem, maar het betekent wel dat een begroting die zwaar leunt op arbeidsinkomen kwetsbaarder wordt.
Inkomsten heffen waar de groei zit
Consumptie blijft robuust. De afgelopen jaren werd de economische groei in belangrijke mate gedragen door een sterke toename van de consumptie en een afname van het sparen. De vergrijzing speelt daarin vermoedelijk een rol. Huishoudbudgetenquêtes tonen aan dat 60-plussers gemiddeld meer consumeren dan andere leeftijdsgroepen[1]. Vooral in de eerste jaren na pensionering blijft de consumptie op peil. De babyboomgeneratie beschikt bovendien over opgebouwd vermogen en blijft, ook na het einde van de loopbaan, actief deelnemen aan de economie. Het consumptieniveau daalt doorgaans pas sterker op latere leeftijd, wanneer de zorgbehoefte toeneemt.
Voorgaande vormt een bijkomend argument voor een taks shift weg van arbeid en richting consumptiebelastingen. Lagere lasten op arbeid ondersteunen de werkgelegenheid en de economische groei. In klassieke economische termen zijn consumptiebelastingen doorgaans minder verstorend voor de groei dan hoge lasten op arbeid, zeker in een economie waar het arbeidsaanbod onder druk staat. België haalt bovendien relatief weinig inkomsten uit btw: de opbrengst uit consumptiebelastingen ligt onder het EU-gemiddelde[2]. Dat wijst erop dat er ruimte is om de gedoodverfde taxshift van arbeidsinkomen naar consumptie breder te maken.
Verminder ook de uitgaven waar de groei zit
De impact van sociale veranderingen op de overheidsuitgaven werd wél al uitvoerig onderzocht, onder meer door de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Ons pensioenstelsel en onze sterk uitgebouwde gezondheidszorg leiden tot een verdere stijging van de uitgaven, hoewel de vergrijzingsfactuur door de huidige regering al aanzienlijk werd teruggedrongen.
Daarbij moet worden vermeden dat vergrijzingsuitgaven toekomstgerichte investeringen verdringen. Jongere generaties moeten voldoende publieke middelen overhouden voor onderwijs, kinderopvang, activering, infrastructuur en andere investeringen die productiviteit en toekomstkansen versterken. Dat veel van die hefbomen geregionaliseerd zijn, is in dat opzicht een voordeel.
De grote uitgavendrijvers op federaal niveau moeten kritisch worden bekeken. Dat vraagt geen afbouw van basisbescherming, maar wel meer selectiviteit, efficiëntie en responsabilisering. In de gezondheidszorg betekent dat onder meer sterker inzetten op preventie, doelmatigheid en het vermijden van overconsumptie.
[1] Statbel, Huishoudbudgetonderzoek 2024.
[2] Europese Commissie, Belgium 2026 Country Report.