Skip to the content

Hey big spender!

Joe Biden ondertekent het "Infrastructure Investment and Jobs Act", in de Zuidtuin van het Witte Huis in Washington op 15 November 2021

The minute you walked in the joint – I could see you were a man of distinction – a  real big spender. Zou Shirley Bassey destijds aan Joe Biden gedacht hebben? Sinds zijn aantreden loopt de rekening voor zijn COVID-19 Relief Plan, Bipartisan Infrastructure Plan en (half goedgekeurde) Build Back Better Plan op tot 4.850 miljard dollar, bijna een kwart van het Amerikaanse bbp. Is het nodig? Wie wordt er beter van? En wie gaat dat betalen?

 

De man met een plan – of drie

Joe Biden werd in januari van dit jaar president van een land in volle coronacrisis, een land ook waar sociale zekerheid maar een mager beestje is. Hij moest dringend met een relance plan komen om de scherpste kantjes van de pandemie af te vijlen. In maart kreeg hij 1.900 miljard dollar vrij voor zijn Covid-19 Relief Plan. Het stimuleringsplan voorzag onder andere in een blanco cheque van 1.500 dollar voor de meeste Amerikanen, werkloosheidsuitkeringen (in maart waren er nog ruim 4 miljoen werklozen, bijna het dubbele van het cijfer in oktober) en een indirecte vorm van kinderbijslag. De meeste Republikeinen zagen het met lede ogen aan.

Vorige week ondertekende Joe Biden na veel omzwervingen de Bipartisan Infrastructure Bill, goed voor 1.200 miljard dollar. Daarvan vloeit al meteen 550 miljard dollar naar nieuwe projecten in de volgende vijf jaar, het saldo zal jaarlijks geëvalueerd worden. Oorspronkelijk had Biden 2.250 miljard in gedachten, maar dat was (pun intended) een brug te ver. De afgeslankte versie daarentegen kon wel rekenen op een meerderheid, inclusief de steun van een handvol Republikeinen.

Of dat ook het geval zal zijn voor het Build Back Better Plan is lang niet zeker. Het Huis van Afgevaardigden zette het licht alvast op groen, en het voorstel ligt nu voor bij de Senaat. Voor een slordige 1.750 miljard dollar wil Biden de Verenigde Staten socialer en groener maken. Ongeveer 550 miljard dollar gaat naar klimaatoplossingen. Voor de rest omvat het plan extra geld voor onderwijs, belastingvoordelen voor gezinnen met kinderen en een betere openbare gezondheidszorg voor senioren. Ook hier had de Amerikaanse president dubbel zo hoog gemikt (3.500 miljard dollar), maar dat was voor de gematigde vleugel van de Democratische partij onverteerbaar. En zelfs met dit fel afgezwakte voorstel zal het stuiven in de Senaat. De Republikeinen warmen zich op voor een pittig debat, en hopen op tijd thuis te zijn voor kerst.

 

Een buis voor infrastructuur

Bidens infrastructuurplan gaat breed. De grootste hap uit het budget van 550 miljard gaat naar transport: wegen en bruggen, spoorlijnen, publiek transport (Biden is een trouwe treinreiziger), infrastructuur voor elektrische voertuigen, (lucht)havens enzovoort. Op de tweede plaats komt energie- en stroominfrastructuur, op de derde plaats waterinfrastructuur, onder andere drinkbaar water. Verder wordt er nog geïnvesteerd in breedband en ‘weerbaarheidsinfrastructuur’, dat is infrastructuur voor noodsituaties als overstromingen en cyberaanvallen.

 

Wie de lange lijst bekijkt, is geneigd te denken dat het een boodschappenlijst betreft voor een derdewereldland. Is de situatie dan zo dramatisch?

Eerst het goede nieuws. Het World Economic Forum rangschikte de VS op de dertiende plaats van de 141 landen in algemene infrastructuur. Voor een aantal criteria scoorde de VS het maximum, zoals in wegennetwerk, toegang tot elektriciteit en de veiligheid van zijn drinkwater.

Maar Brookings Institution, een onafhankelijke denktank, legde in 2015 al de vinger op de wonde. China investeerde toen vier tot vijf keer zoveel als de VS in het onderhoud en de verbetering van zijn infrastructuur. Ook andere westerse landen, waaronder Europa, investeren, toen en nu, een pak meer.

Onlangs hield de American Society of Civil Engineers, een bureau van ingenieurs, Amerika’s infrastructuur opnieuw een spiegel voor. Het gaf Amerika over de hele lijn een C-minus: dik gebuisd. Het berekende dat er tegen 2025 zo’n 4.500 miljard dollar zou moeten geïnvesteerd worden om de wegen, bruggen, dammen en andere infrastructuur terug netjes op orde te krijgen.

De details van het rapport zijn ontluisterend. Ruim drieënveertig procent van de Amerikaanse wegen en snelwegen zijn in slechte of middelmatige staat. Met de bruggen is het zo slecht gesteld dat het vijftig jaar zou duren al om alle reparaties die momenteel nodig zijn te voltooien. De dijken die mensen moet beschermen tegen overstromingen zijn volslagen ontoereikend. In het openbaar vervoer zijn voertuigen, sporen en tunnels in belabberde staat. De drinkwatersystemen verliezen elke dag zoveel water dat ze er 9.000 zwembaden mee kunnen vullen. De elektriciteitsnetten zijn er iets beter aan toe, maar nog steeds niet bestand tegen slecht weer. In the land of the free and the home of the brave vergt het blijkbaar soms meer moed dan wenselijk is om een brug over te steken.

 

Wie pikt een graantje mee?

Met een koper op de markt die 550 miljard op zak heeft, maken natuurlijk heel wat bedrijven hun borst al nat. Het infrastructuurplan zal de hele economie aan het werk zetten – en dat is precies de bedoeling. Van betongieters tot ingenieurs, van houtzagerijen tot tekenaars, van leveranciers van hoogspanningskabels tot 5G-netwerkbouwers, van staalproducenten tot graafmachines … iedereen pikt graag een graantje mee.

Ook de bedrijven die actief zijn in publiek-private partnerschappen zullen in opperste staat van paraatheid zijn. In zo’n samenwerking nemen de privébedrijven de financiering, bouw en onderhoud op lange termijn van een infrastructuurvoorziening op zich. De kosten worden gespreid over de levensduur van de voorziening, en worden betaald via terugkerende inkomsten uit gebruikersvergoedingen of belastingen geheven door de overheid, die eigenaar van de voorziening blijft. Voorbeelden zijn parkeergarages, autostrades of windmolenparken. Het is een vorm van privé-publieke samenwerking die ook hier in België al tot grote projecten geleid heeft.

De beleggers op de beurs volgden het wel en wee van de politieke onderhandelingen uiteraard op de voet, en anticipeerden de laatste maanden al op een grote infrastructuurcheque.

De grootste winnaars zullen ongetwijfeld Amerikaanse bedrijven zijn, ook al zal hier en daar een buitenlandse speler een kruimeltje toebedeeld krijgen. America first – de slogan kwam van Trump, maar het is een reflex van de meeste Amerikanen.

 

Een plan dat zichzelf terugbetaalt?

De oorzaak achter de verloederde infrastructuur is niet ver te zoeken: geld en politiek. Als een Amerikaan aan wegenwerken denkt, krijgt hij hallucinaties over hogere belastingen. En als een Amerikaanse politicus praat over bruggen bouwen, bedoelt hij dat meestal in overdrachtelijke betekenis. Want een echte brug bouwen kost hem veel tijd, en wellicht krijgt hij voordien al zijn politieke rekening gepresenteerd, bij een of andere verkiezing.

Ook vandaag rijst natuurlijk de vraag: wie gaat dat infrastructuurplan betalen? De indieners van het infrastructuurplan maken zich sterk dat er geen extra belastingen aan te pas komen, en dat het evenmin een extra gat in de Amerikaanse begroting zal slaan. Het plan betaalt zichzelf terug, onder andere door de recuperatie van 200 miljard ongebruikt geld van het COVID-19 Relief Plan, 50 miljard door het uitstel van kortingen binnen het Medicare-programma, 50 miljard van staten die ongebruikte federale middelen moeten teruggeven bedoeld voor werkloosheidsverzekering en bijna 30 miljard door het belasten van transacties in cryptomunten, ‘in lijn met andere beurstransacties’.

Wordt u wat duizelig van dat getover met miljarden? De Congressional Budget Office, zeg maar het Rekenhof van het Amerikaanse Congres, ook. Volgens het onafhankelijke bureau zal het plan de tekorten in het komende decennium met 256 miljard dollar doen toenemen. Niets van aan, vinden de voorstanders van het plan. Het bureau vergeet de positieve effecten op de economische groei en op de werkgelegenheid te berekenen.

 

Transformatief of roekeloos?

Nu wordt de discussie pas echt interessant. Want wat zijn de langetermijneffecten van al die mooie drastische plannen? De grote economen worden nog eens van onder het stof gehaald – Friedman, Keynes – en de discussie krijgt een fel politiek tintje.

Want de tussentijdse verkiezingen zijn niet meer veraf – november 2022. En nu de approval rate van president Biden zienderogen taant, zien de Republikeinen hun kans schoon om extra olie op het vuur te gooien. De Democraten gaan roekeloos om met de zuurverdiende centen van de belastingbetaler, aldus de Republikeinen die volgend jaar hun meerderheid willen heroveren in het Huis van Afgevaardigden. De vijand die dit keer bestreden moet worden is geen dictator van een buitenlandse mogendheid, noch een terreurgroep. De vijand is … inflatie.

Amerikanen maken zich terecht zorgen over de prijsstijgingen, vinden de Republikeinen. Door geld uit te geven dat ze niet hebben, stuwen de Democraten de prijzen omhoog, in ruil voor een kortstondig suikerrush – de Republikeinse inschatting van het economisch herstel. De schuldenberg zal aangroeien, de inflatie zal ongenadig de koopkracht aanvreten. Om het argument kracht bij te zetten, herinneren de Republikeinen de Amerikanen aan de hyperinflatie in de jaren 70. Jimmy Carter was toen president – hij geraakte niet herkozen. 

Maar dat zien de Democraten anders. Zij willen niet de fout maken uit het Obama-tijdperk, na de financiële crisis in 2008, toen bezuinigingsplannen inbeukten op de levensstandaard van miljoenen Amerikanen. Nee, vinden de Democraten, dit keer moet het groots zijn, het plan moet Amerika transformeren tot een rechtvaardige, ecologische en betere samenleving. Het ambitieuze fiscale pakket is bedoeld om de economische groei structureel te verhogen en de concurrentiepositie van de VS verbeteren. Een hoger huizenaanbod en een prijzenverlaging van medicijnen zou bovendien ook een gunstige impact hebben op de inflatie. Uit academische hoek weerklinkt nochtans ook af en toe kritiek, zelfs bij Democraten, over de omvang en de richting van het beleid. Als dat steunpakket maar niet leidt tot een oververhitting van de economie en een jammerlijke geldverspilling, vreest men.

Tegelijk kijken de Democraten ook gespannen naar de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank. Wat als zij zich laten opjagen om de rente vroeger of drastischer dan gepland op te trekken? Een plotse en forse rentestijging, vooraleer volledige werkgelegenheid bereikt wordt, zou het economische herstel serieus kunnen afremmen. Dat zou het einde betekenen van het economisch feestje. En van de Democraten in het Witte Huis.

 

Conclusie

De grote investeringsplannen van Biden zijn niet uit de lucht gegrepen. Het land is toe aan een structurele vernieuwing en uitbreiding van haar infrastructuur. Bovendien hakte de coronapandemie serieus in op de welvaart van de Amerikanen, niet in het minst omdat zij niet kunnen terugvallen op het vangnet van de sociale zekerheid. Stimuli- en steunpakketten kunnen hen erbovenop helpen, en als ze goed ontworpen zijn, geven de maatregelen Amerika een voorsprong op het pad naar een betere toekomst. Maar alles heeft natuurlijk een prijs, op korte én op lange termijn. Het debat dat woedt over de langetermijnimpact op de inflatie, schuld en groei, met als inzet de concurrentiepositie en welvaart van Amerika, is uitermate boeiend en zeer terecht. En te belangrijk om over te laten aan wat goedgekozen oneliners van geslepen politici.

Jeroen Kerstens

Jeroen Kerstens

Jeroen Kerstens behaalde de Master Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen in juni 2015 waarna hij zich verder specialiseerde met een bijkomende Master of Finance aan de Antwerp Management School. Na een stage bij een Europese asset manager vervoegde Jeroen Econopolis in juli 2016. Hij beheert portefeuilles voor zowel private als institutionele klanten. Tevens is Jeroen lid van het Asset Allocatie Committee en het Investment Committee door als macro-econoom beide comités van een economische outlook te voorzien.