Skip to the content

Aantrekkelijk renteverschil tussen groeilanden en de westerse wereld biedt kansen

Als beheerders van obligatiefondsen voelt het voor ons soms aan alsof we in de woestijn werken. Waarom? Wel onderstaande grafiek toont dit mooi aan. De negatieve rentes die we zien op Europese staatsobligaties op zowel korte als middellange termijn maken het zeer moeilijk om als “buy-and-hold” belegger in obligaties een positief rendement te halen. Bijgevolg moeten we als obligatiebeleggers actiever zijn in het beheer en ook goed zoeken naar de paar “plantjes” die in de woestijn te vinden zijn. Deze zijn wel degelijk te vinden. Een aantal van de thema’s die we hebben geïdentificeerd binnen obligaties doen het ook zeer goed dit jaar, zoals inflatie-geïndexeerde obligaties en bedrijfsobligaties zonder officiële kredietrating. Dit geldt evenwel ook voor obligaties van groeilanden, een thema met nog steeds aanzienlijk potentieel binnen obligaties gegeven het forse renteverschil met de westerse wereld.

Waar inflatie-geïndexeerde obligaties en bedrijfsobligaties recent toch wel vrij duur zijn geworden, is dit absoluut nog niet het geval voor obligaties uit groeilanden. De meeste groeilandenobligaties kenden een moeilijk 2020 vanwege Covid-19. Echter, dit jaar zien we dat obligaties uit groeilanden het opnieuw vrij goed doen en positieve rendementen neerzetten. Dit geldt zowel voor obligaties uitgedrukt in lokale munten als in harde munten zoals dollar of euro. De oorzaak hiervan is een combinatie van verschillende factoren zoals een fors renteverschil, de extreem dure waardering van bedrijfsobligaties, de ondersteuning door stijgende grondstoffenprijzen en centrale banken in groeilanden die de rente verhogen.

Obligaties uit groeilanden bieden aantrekkelijke rentes die significant hoger liggen dan bedrijfs- en staatsobligaties in euro. Als we kijken naar een aantal bekende obligatie-indices, dan zien we dat Europese staatsobligaties noteren aan een rente rond het nulpunt en dat “investment grade” bedrijfsobligaties in euro een jaarlijkse rente bieden van nog geen halve procent gemiddeld. Groeilandenobligaties in zowel lokale als harde munt bieden echter een rente die zelfs hoger is dan die op bedrijfsobligaties van lage kwaliteit (de zogenaamde “high yield” obligaties). Bovendien hebben deze groeilandenindices een kortere looptijd en dus minder renterisico en zijn ze gemiddeld gezien ook van een hogere kredietkwaliteit als we kijken naar de ratings. Zo bestaat bijvoorbeeld de bekende JP Morgan EM Local Currency Bond index uit maar liefst bijna 80% obligaties met een investment grade rating en heeft de index een rentegevoeligheid (duratie) van slechts 5 jaar. Kort gesteld, obligaties uit groeilanden bieden dus een aantrekkelijke rente voor relatief goede kredietkwaliteit en minder renterisico. Er is een duidelijke buffer voor het muntrisico.

De voorbije maanden hebben we in de Westerse wereld licht stijgende rentes gezien op de markt, zonder dat de Europese of Amerikaanse centrale banken effectief de rente hebben verhoogd (al is de Fed wel begonnen met ‘taperen’). Het renteverschil met groeilanden is echter significant opgelopen omdat in die groeilanden de rente namelijk nóg meer is gestegen, tot vaak zeer aantrekkelijke niveaus. De meeste centrale banken in groeilanden zijn dit jaar de rente aanzienlijk beginnen verhogen (o.a. in Brazilië, Mexico, Chili, Colombia, Tsjechië, Hongarije en Polen), waardoor zowel de korte als lange rente in deze landen fors is opgelopen. Dit gaf bovendien dikwijls ondersteuning aan de munten van deze landen. Onderstaande tabel toont de beweging in de 10-jaarsrente van een aantal groeilanden dit jaar. We zien bijvoorbeeld dat in Brazilië de rente is gestegen met maar liefst 5 procentpunten tot circa 12%. De korte rente in Brazilië noteert rond de 11%. Dit zijn beide zeer aantrekkelijke niveaus en bieden ook aanzienlijk wat buffer moest de Braziliaanse real het wat moeilijker hebben. Verder in Latijns-Amerika zien we ook hoge rentes in Mexico (7,5%) en Colombia (8%). In Azië vallen ook de hoge rentes in bijvoorbeeld India (6,4%) en Indonesië (6%) op, zeker in combinatie met de goede presentaties van de lokale munten van deze landen. Ook als we de inflatie meerekenen zien we dat de reële rentes aanzienlijk aantrekkelijker zijn in groeilanden dan in de westerse wereld.

Globaal gezien doen de munten van groeilanden het dit jaar best goed. Een aantal munten zoals de Russische roebel en de Zuid-Afrikaanse rand profiteren van de stijgende grondstoffenprijzen. Aziatische munten doen het ook vrij goed dit jaar. De Chinese renminbi (CNY) behoort dit jaar tot één van de best presterende munten. De goede prestaties van de Chinese munt zijn niet verwonderlijk, met dank aan de positieve reële rente (rente minus inflatie) en de sterke economische prestaties van China. Hoewel China als eerste getroffen werd door het coronavirus, is de hinder voorlopig aanzienlijk beperkter dan in Europa en de Verenigde Staten. Dat geldt zowel voor de economische groei als voor de begrotingstekorten. Het zou niet verwonderlijk zijn moest op lange termijn de Chinese renminbi worden beschouwd als een standaard vreemde munt in vele beleggingsportefeuilles, net zoals de Amerikaanse dollar of de Noorse kroon. In tegenstelling tot in West-Europa zijn er binnen groeilanden nóg voorbeelden te vinden van vrij mature landen die degelijke economische fundamenten combineren met duidelijk positieve en aantrekkelijke rentes, zoals de Tsjechische kroon (CZK) of de Poolse zloty (PLN). Een munt waar we bij Econopolis niet in beleggen is de Turkse lira. Ondanks de zéér hoge lokale rente van bijna 20% vinden we deze munt te risicovol, onder andere vanwege de onorthodoxe economische opvattingen van president Erdogan over de link tussen de rente en de waarde van de munt. Ook dit jaar bleek dit de goede keuze zoals kan worden afgeleid uit bovenstaande tabel. Dit toont nog maar eens aan dat het belangrijk is in groeilanden om selectief te zijn en goed te diversifiëren. Voor Econopolis zijn obligaties uit groeilanden een belangrijke strategische pijler van onze obligatiebeleggingen voor de lange termijn. Daarom ook dat we de excessieve “theoretische rendementen” in dit segment vermijden en eerder kiezen voor de betere kwaliteit, om zo op een goed risico-gewogen rendement te behalen.

Gegeven de zéér lage rentes en dus de weinig rooskleurige vooruitzichten van klassieke obligaties in de westerse wereld zien we obligaties van groeilanden als een interessante toevoeging aan een obligatieportefeuille waar wél nog een mooi rendement te vinden is. Actief beheer, selectiviteit en diversificatie is in dit segment uiteraard belangrijk om het kaf van het koren te scheiden, maar we zien wel zeer interessante opportuniteiten in obligaties van groeilanden door een combinatie van fors hogere (reële) rentes, de aantrekkelijke waardering van de lokale munten en de extreem dure waardering van bedrijfsobligaties.

Maxim Gilis

Maxim Gilis

Maxim Gilis behaalde in 2015 een Master Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Zijn master thesis handelde over aandelendiversificatie in groeilanden. Vervolgens behaalde hij een aanvullende Master of Finance aan de Antwerp Management School, waar hij onderzoek deed naar duurzaam investeren voor een Europese asset manager. In de zomer van 2016 vervoegde Maxim het team van Econopolis als Fund Management Analyst.