Skip to the content

De economie vandaag: de economische relance is al bezig

De economische toestand is vandaag niet te vergelijken met die van een jaar geleden, en binnen twaalf maanden ziet het plaatje er opnieuw anders uit: hogere activiteit, maar ook duurdere prijzen. De snelheid waarmee de economische omgeving wijzigt, is ongezien. Dat was zonder COVID-19 al het geval, maar is nu nog meer uitgesproken.

De meesten onder ons klimmen stilaan uit de coronavallei, maar dat geldt niet voor iedereen. De grootste klappen zijn bij een klein deel van de bevolking en sectoren terechtgekomen. De pandemie bleek daardoor een bijzonder ongelijk effect te hebben.

De centrale banken zijn inmiddels aangekomen op een kruispunt. Enerzijds willen ze de economie ondersteunen door lage rentes en een expansieve liquiditeitsvoorziening om zo ademruimte voor de achtergebleven sectoren te voorzien. Anderzijds willen ze andere onderdelen van de economie behoeden voor oververhitting. De hoge inflatiecijfers duwen nu de centrale banken in de tweede richting, vooral in de VS. Nu de pandemie naar de achtergrond verdwijnt dankzij de vaccinaties, krijgen ook geopolitieke strubbelingen opnieuw meer aandacht. China lonkt naar Taiwan, Turkije is instabiel, Rusland toont zich erg zelfzeker en Biden wil de VS opnieuw op het schaakbord zetten. Waar staat de economie vandaag, en wat zijn de uitdagingen van morgen? Een antwoord in vijf grafieken.

 

1. De economie herleeft, maar niet overal even snel

De heropleving van de wereldeconomie zet zich in 2021 bijzonder sterk door. De initiële economische schade volgend op de maatschappelijke belemmeringen tijdens de tweede (en derde) besmettingsgolf bleek eerder beperkt. We trokken lessen uit het voorjaar en ‘leerden leven met het virus’. Nu blijkt ook het economisch herstel in 2021 beduidend sterker dan de verwachtingen van de OESO in december 2020. De vlotte vaccinatiecampagnes, aanvankelijk in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, en vervolgens ook op het Europese vasteland, brachten versoepelingen met zich mee en resulteerden in een snel herstel uit de historisch forse krimp in het tweede kwartaal van 2020.

 

De cocktail van (1) enorme fiscale stimuli die (groene) investeringen faciliteren en de inkomens van de gezinnen waarborgen, (2) bijzonder lage rentes als gevolg van het monetaire beleid van de centrale banken en (3) de maatschappelijke versoepelingen die de consument meer mogelijkheden bieden, zorgt ervoor dat de wereldeconomie langzaam uit de coronavallei klimt. Maar de verschillen tussen landen en regio’s zijn groot. De opwaartse bijstelling van de groeiverwachtingen door de OESO blijkt vooral van toepassing op de OESO-leden zelf, te weten de westerse, geïndustrialiseerde landen. Zij kregen immers als eerste toegang tot de vaccins. Om een collectief herstel te bewerkstelligen, dient de pandemie ook bestreden te worden in de ontwikkelingslanden. Niet alleen vanuit humaan standpunt, maar ook omdat meer besmettelijke of dodelijke mutaties van het coronavirus nieuwe restricties kunnen uitlokken die het mondiaal economisch herstel alsnog kunnen fnuiken.

 

2. Bedrijfswinsten verbeteren spectaculair (maar dat moet ook voor de verwachtingen)

De economische relance sijpelt door in de bedrijfswinsten. De winstcijfers doken in 2020 fors lager, maar dit jaar veren de winsten als geheel alweer sterk op, al zijn er sectorverschillen. De verwachte bedrijfswinsten voor 2021 komen voor de zeshonderd grootste Europese beursgenoteerde bedrijven uit op het pre-coronaniveau. Volgens de huidige verwachtingen zullen de vijfhonderd grootste Amerikaanse beursgenoteerde bedrijven in 2021 zelfs bedrijfswinsten realiseren die 16% hoger zijn dan vóór de COVID-19-crisis. Voor 2023 rekenen analisten met verwachte bedrijfswinsten die in de Verenigde Staten 44% hoger uitkomen dan in 2019, voor Europese bedrijven bedraagt de verwachte winstgroei ‘slechts’ 22%. Maar uiteraard is de verwachte winstgroei over een langere periode niet voor alle bedrijven en sectoren gelijk. U kent ongetwijfeld onze Econoshock-thema’s die we bij Econopolis als structurele langetermijntrends identificeren, en waarvan we verwachten dat deze trends zich vertalen in een sterkere onderliggende winstgroei.

 

 

De aandelenmarkten gingen in het afgelopen jaar alvast fors hoger, rekening houdend met deze verbeterende bedrijfswinsten. Toch zijn de aandelenbeurzen niet uitzonderlijk duur te noemen, als we de uitzonderlijk lage en negatieve stand van de reële rente in acht nemen.

Vooral de (zeer) grote bedrijven wisten te profiteren van de lage rente en konden de schade beperken dankzij een sterke geografische spreiding van hun activiteiten. Dit is ook de overheden niet ontgaan. De gigantische bedrijven lopen nu nog meer in hun vizier om de relanceplannen mee te financieren. Om een eerlijk fiscaal speelveld te creëren, wierp de Amerikaanse overheid de invoering van een globale minimale vennootschapsbelasting van 15% op tafel van de G7 en de OESO. Voor de grootste en meest winstgevende bedrijven ter wereld stelden ze ook de invoering voor van een bijkomende belasting van 20% in het land waar de omzet gerealiseerd wordt. Wat zal de impact van die maatregelen zijn? Ze zullen de verwachte winstgroei van deze giganten wellicht afromen, maar geenszins afstoppen.

 

3. Amerikaanse kerninflatie schiet omhoog

Het herstel van de wereldeconomie heeft een keerzijde: sterke prijsstijgingen doen de inflatiecijfers erg oplopen. De heropening van verschillende economieën en de drang om het lockdownspaargeld uit te geven doet de vraag krachtig opveren. De (productie)capaciteit en bijgevolg het aanbod kunnen echter niet meteen volgen, waardoor de prijzen stijgen. In de Verenigde Staten resulteerde dit in mei in een inflatiepercentage (t.o.v. een jaar eerder) van bijna 5%. Uiteraard was de vergelijkingsbasis uitzonderlijk laag: de economie lag twaalf maanden geleden bijna volledig stil, en de olieprijzen doken in mei 2020 zelfs even onder nul. Opvallender is dat de kerninflatie, die de meer volatiele componenten voeding en energie uit de berekening sluit, op 3,80% uitkwam. Om een gelijkaardig inflatieniveau terug te vinden, moeten we naar het begin van jaren ’90. Toen zweefde de Amerikaanse 10-jaarsrente overigens rond 7%, momenteel staat die op ongeveer 1,5%. De Amerikaanse centrale bank wijst in haar communicatie vooral op een ‘transitory’ of voorbijgaand effect: de vergelijkingsbasis is de uitzonderlijke situatie van een jaar geleden.

 

 

Toch beginnen steeds meer structurele drijvers van inflatie opwaartse druk uit te oefenen. Opstoppingen in de productie- en logistieke ketens blijken hardnekkig, en zorgen ervoor dat ook technologische producten, die traditioneel een deflatoir effect genereren, nu toch een inflatoire dynamiek op gang brengen omwille van schaarste in productiecapaciteit en in onderdelen (metalen en chips bijvoorbeeld). Bovendien wijzen vele bedrijven al op een opvallende krapte op de arbeidsmarkt. Om werklozen, of mensen die de arbeidsmarkt tijdens de pandemie verlieten, opnieuw te enthousiasmeren, en om het huidige personeel te behouden, zien bedrijfsleiders de druk op de lonen toenemen. Hogere lonen leiden tot meer consumptie en zijn bijgevolg een belangrijke, structurele drijver van inflatie. En die impuls in meer structurele drijvers van inflatie ontgaat ook de centrale banken niet.

 

4. Twee Amerikaanse renteverhogingen in het vooruitzicht (in 2023)

De krachtige economische relance en de oplaaiende inflatie brachten verschillende centrale banken, onder meer de Russische, Mexicaanse en Braziliaanse, ertoe om hun beleidsrentes te verhogen. En dichter bij huis kondigde ook de Hongaarse centrale bank als eerste EU-land aan de beleidsrente te verhogen om een verdere stijging van de inflatie in te perken. De Noorse centrale bank stelt dan weer vier renteverhogingen voorop in de komende twaalf maanden. De Europese centrale bank (ECB) vindt de aard van het economische herstel en de huidige inflatiecijfers te weinig structureel en blijft voorlopig ‘tegen een verhoogd tempo’ interveniëren in de obligatiemarkten (obligaties opkopen) om de rentes te drukken.

 

De gouverneurs van de Amerikaanse centrale bank (Fed) schoven in juni niet één, maar twee renteverhogingen naar voor in 2023. Hoewel 2023 nog relatief ver in de toekomst ligt, en het niveau van de beleidsrente tot dan tussen 0% en 0,25% blijft, beoogt de Fed vanaf 2023 de beleidsrente stelselmatig te normaliseren. Een sterke verbetering van de Amerikaanse werkzaamheidsgraad tegen 2023 is daarvoor wel een belangrijke voorwaarde. Bovendien sprak de voorzitter, Jerome Powell, iconische woorden over de doelstellingen van volgende Fed- vergaderingen ‘to start talking about talking about tapering’. Daarmee verwees hij naar de bereidwilligheid om te discussiëren over de afbouw van het huidige kwantitatieve versoepelingsprograma (QE) ter waarde van 120 miljard dollar per maand. Over de timing werd niets gezegd, maar vast staat dat deze interventies stapsgewijs afgebouwd zullen worden, alvorens de rentes opgetrokken worden. Vergelijk het met een kleuter die leert fietsen. Wie de steunwieltjes van de fietsende kleuter eraf haalt, loopt best nog even mee, om een val en kindertranen te vermijden. Pas in de volgende fase laat u de kleuter helemaal los en fietst de kleuter zelfstandig. Zo gaat dat ook met het monetaire beleid. Het gelijktijdig afbouwen van de obligatieaankopen en het verhogen van rente, is waarschijnlijk een te abrupte beweging om de Amerikaanse economie op een zelfstandig en stabiel groeipad te brengen. De start van de afbouw van het aankoopprogramma lijkt dus voor de nabije toekomst te zijn, en is wellicht de voorbode van stelsel- matige renteverhogingen in 2023.

 

5. Chinese kredietimpuls remt af

De Chinese kredietimpuls aan de economie duikt opnieuw in negatief territorium. Deze indicator geeft de groei in kredieten weer ten opzichte van het Chinese bbp. De Chinese beleidsvoerders gebruiken de kredietfaciliteiten om oververhitting van de economie en eventuele excessen tegen te gaan. De sterke economische groei en stijging van de (grondstoffen)prijzen leiden ook in China tot een opstoot van de prijzen. Duurdere prijzen zouden aanleiding kunnen geven tot sociale onrusten, iets wat de communistische staat absoluut wenst te vermijden.

 

 

Uit deze negatieve kredietimpuls kunnen we afleiden dat de Chinese economie momenteel sterk draait, en dat is goed nieuws. Minder positief is dat de indicator vaak een afkoeling van de grondstoffenprijzen en de groei in de industriële sector voorafgaat. Het goedkope investeringsklimaat in de westerse landen blijft voorlopig wel even aanhouden en ondersteunt de aankoop van producten in China. Die externe investeringen vanuit het buitenland compenseren dan weer (deels) het wegvallen van de binnenlandse kredietimpuls in China.

Hoewel China zich meer wil focussen op de interne markt, is het nog steeds zeer afhankelijk van de buitenlandse consumptie. Nu de vaccincampagnes in de westerse landen op kruissnelheid zijn en de versoepelingen een snel economisch herstel in gang zetten, verschuift de focus opnieuw naar strategische geopolitieke overwegingen. De Amerikanen beschouwen China nog steeds als een ernstige bedreiging voor de wereld en voor hun eigen macht. President Joe Biden legde de Chinese dreiging op tafel tijdens de recente G7- en NAVO-top. Een opvallend voorstel was om samen met andere westerse landen een alternatief te creëren voor het Chinese ‘Belt & Road Initiative’, waarbij de Chinezen goedkope financieringen voorzien voor gigantische infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden. Daarmee wil Biden een alternatief bieden om ontwikkelingslanden te ‘beschermen’ tegen Chinese invloed. Anders dan het cavalier-seul-beleid van ex-president Trump, probeert Joe Biden andere landen mee te betrekken. Maar de EU lijkt hier nog niet meteen een gemeenschappelijk standpunt te hebben.

Jeroen Kerstens

Jeroen Kerstens

Jeroen Kerstens behaalde de Master Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen in juni 2015 waarna hij zich verder specialiseerde met een bijkomende Master of Finance aan de Antwerp Management School. Na een stage bij een Europese asset manager vervoegde Jeroen Econopolis in juli 2016. Hij beheert portefeuilles voor zowel private als institutionele klanten. Tevens is Jeroen lid van het Asset Allocatie Committee en het Investment Committee door als macro-econoom beide comités van een economische outlook te voorzien.