Skip to the content

Inflatie-geïndexeerde obligaties: de ultieme obligaties?

In theorie klinkt het fantastisch, obligaties die je een bepaalde rente geven en daarbovenop de gerealiseerde inflatie. Wat wil je als obligatiebelegger nog meer? Zeker in tijden van stijgende inflatie en toenemende inflatievrees. Michaël De Man, Head of Fund Management van Econopolis, maakt de analyse. Verdienen inflatie-geïndexeerde obligaties een plaats in onze portefeuilles?

Inflatie-geïndexeerde obligaties (IGO’s) hebben een vaste coupon (bijvoorbeeld 1%) waarbij deze coupon evenwel een reële coupon is. Dit betekent dat deze coupon geïndexeerd zal worden (dus aangepast wordt aan de inflatie). Als de obligatieprijs (hoofdsom) 100 euro is bij de start en de inflatie bedraagt 2% over het volgende jaar, dan zal een coupon van 1,02% betaald worden. U ontvangt een reële coupon van 1%, op een met inflatie aangepaste (geïndexeerde) hoofdsom van 102. De coupon zal dus niet 3% bedragen (1% coupon + 2% inflatie), wat een logische misvatting is. Ook in de verdere jaren worden de coupons op bovenstaande manier berekend en dus geïndexeerd. Op de eindvervaldag krijgt de belegger de hoofdsom geïndexeerd terugbetaald (met de cumulatieve inflatie over de hele looptijd van de obligatie). Als je dus 5 jaar 2% inflatie hebt, zal je dus meer dan 110 terugkrijgen op eindvervaldag.

De enige manier om je als obligatiebelegger op lange termijn rechtstreeks te beschermen tegen inflatie, is via dit type obligaties. Maar er zijn enkele belangrijke aandachtspunten:

Negatieve rentes

De vergoeding op veilige obligaties is al geruime tijd lager dan de inflatie. Deze vergoeding in zelfs duidelijk negatief in absolute termen. Dit heeft natuurlijk ook zijn effect op de inflatie-geïndexeerde obligaties. Je krijgt daar als belegger niet langer de inflatie plus een rentevergoeding. Het is nu inflatie min een percentage, dat momenteel bv. -1.5% is voor een 10-jarige Duitse inflatie-geïndexeerde obligatie. Dus over de looptijd van de obligatie moet de inflatie boven de 1,5% uitkomen om een positief absoluut rendement te bekomen.

Korte termijn versus lange termijn

Op lange termijn zal de inflatie (samen met de reële rente bij aankoop) de dominante factor zijn qua rendement. Op korte termijn zal het rendement echter afhangen van de evolutie van de rente op gewone obligaties en de inflatieverwachtingen. Dit maakt het niet vanzelfsprekend om de rendementen van inflatie-geïndexeerde obligaties (IGO) uit te leggen.

3 vuistregels:

  • Op lange termijn: gerealiseerde inflatie > verwachte inflatie -> IGO’s presteren beter dan gewone obligaties
  • Op korte termijn: inflatieverwachtingen stijgen -> IGO’s presteren beter dan gewone obligaties
  • Op korte termijn: impact van rentebewegingen op de prijzen.

De prijzen van IGO’s zijn onderhevig aan de evolutie van de reële rente. IGO’s zullen koerswinsten boeken als de reële rente daalt. Dat kan ofwel door een daling van de nominale rente die niet (volledig) gecompenseerd wordt door dalende inflatieverwachtingen ofwel door een stijging van de inflatieverwachtingen die niet (volledig) gecompenseerd wordt door stijgende nominale rentes.

Inflatie-index

Obligaties (in de eurozone) worden typisch geïndexeerd met de eurozone harmonized index of consumer prices zonder tabak. Het is dus niet de lokale (bv. Belgische of Duitse) inflatie, maar die van de eurozone. Maar zelfs al zou het een lokaal cijfer zijn, dan nog is dat voor vele moeilijk herkenbaar. Bij een heel aantal mensen leeft immers het gevoel dat de werkelijke inflatie hoger is dan de officiële inflatiecijfers. Het meten van inflatie is zonder meer een complex gegeven. Zonder in de details te gaan, zijn er wel een aantal oorzaken die dit gevoel ondersteunen. Officieel was er in Belgie jaarlijks minder dan 2% inflatie sinds 2000. Ondertussen verdubbelden de huizenprijzen en stegen de voedingsprijzen ook duidelijk meer dan het globale cijfer. Huizenprijzen en voedingsprijzen (prijzen in de supermarkt), zijn prijzen die goed gekend zijn en bijblijven.

Beperkt aantal uitgevers

Voor euro beleggers zijn de opties beperkt. Als we focussen op de liquide landen, dan zijn enkel Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië een optie. België heeft enkele inflatie-geïndexeerde obligaties uitgegeven, maar hierin is geen (liquide) secondaire markt, vandaar dat we deze niet in beschouwing nemen. Bij de bedrijfsobligaties is het niet beter. Ook daar zijn de liquide uitgiftes beperkt.

Ondanks de bovenvermelde aandachtspunten zijn inflatie-geïndexeerde obligaties een interessant thema in een obligatieportefeuille. Bij gewone veilige obligaties in euro weet je zeker dat je op termijn geld verliest gegeven de huidige negatieve rentes. Bij inflatie-geïndexeerde obligaties moet de inflatie op lange termijn boven de 1,5% uitkomen. Dit is niet onmogelijk en niet onrealistisch. Gegeven de huidige negatieve reële rentes is het wel onmogelijk om met deze obligaties beter te doen dan de inflatie, maar dit type obligaties is de enige die extra rendement geeft bij stijgende inflatie en dus enige bescherming biedt op lange termijn tegen inflatie. Op korte termijn kunnen er leuke winsten geboekt worden op inflatie-geïndexeerde obligaties indien de inflatieverwachting fors de hoogte zou inschieten en centrale banken massaal obligaties blijven kopen en dus de rente laaghouden.

 

 

 

Michaël De Man

Michaël De Man

Michaël De Man behaalde het diploma van Master in economische Wetenschappen aan de Universiteit Gent in 2005. Gedreven door een grote interesse in beleggen besloot hij een Master in Banking and Finance te volgen aan dezelfde universiteit. Daarna startte hij als obligatiespecialist bij een Belgische grootbank. In deze periode werd hij ook CFA charterholder. In de nasleep van de financiële crisis besliste hij zich toe te leggen op risicobeheer. Eind 2015 vervoegde Michaël het beleggingsteam van Econopolis. Vandaag is hij Head of Fund Management.